De procedure: het bezwaarschrift aan het ministerie van Justitie

 

Er is bezwaar aangetekend tegen het eerste besluit van de Minister van Justitie

Amsterdam, 29 juni 2007

Aan Ministerie van Justitie

Minister Hirsch Ballin

in deze directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving

t.a.v. Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden

Postbus 20301

2500 EH Den Haag

Onderwerp: toepassing en uitvoering van de Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht

Bezwaar op uw beslissing van 25 mei 2007

Ons kenmerk: WOB verzoek oktober 19100 t/m 19125

Uw kenmerk: 5486473/07/PM

Afzender: Buro Jansen & Janssen

Geachte minister,

Op 25 mei 2007 gedateerd ontving ik een beslissing op ons WOB verzoek van 15 november 2007 inzake de toepassing en uitvoering van de Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht.

Bij dezen komen wij in bezwaar tegen uw beslissing. Deze brief is dan ook een bezwaarschrift in de zin der AWB.

Wij verzochten om:

– onderzoeken, evaluaties en rapportages betreffende de toepassing en uitvoering van de Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht

– overzichten van staande houdingen, processen verbaal betreffende de toepassing en uitvoering van de Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht

– statistieken en overzichten betreffende de toepassing en uitvoering van de Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht

– beleidsdocumenten, richtlijnen en aanwijzingen toepassing en uitvoering van de Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht

Zakelijk weergegeven komt uw beslissing neer op de verstrekking van (zowel de stukken verstrekt op 14 maart 2007 als die van 25 mei 2007):

– Briefwisseling tussen het ministerie en de afzonderlijke parketten

– Beleidsuitgangspunten van justitie op verschillende terreinen t.a.v. de WUID

– Protocollen en stroom schema’s

– Enkele ‘meningen’ zoals de beleidsnotitie van een medewerker van het parket Almelo en een overzichtsdocument van parket Rotterdam

De bezwaargronden zijn:

– De Minister van Justitie heeft bij de behandeling van het Wetsvoorstel voor de Uitgebreide Identificatieplicht keer op keer te berde gebracht dat het niet de bedoeling was om zonder reden burgers te controleren op het dragen van een legitimatiebewijs. De Minister, de Tweede Kamer en de Eerste Kamer hebben aangegeven dat bij het uitschrijven van een proces-verbaal de reden voor het controleren van de identiteit moet worden aangegeven. Daarnaast heeft de Minister in de handelingen in de beide Kamers aangegeven dat ook in de dagrapportage van de politie moet worden geregistreerd of en onder welke omstandigheden er op identiteitsbewijzen is gecontroleerd.

– Met het oog op het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering verzoeken wij u om de openbaarmaking van de stukken die u bestempeld als persoonlijke beleidsopvattingen. U geeft aan dat de evaluatie, het interne beraad en beleidsnotities in werktijd plaatsvonden. Daarnaast geeft u aan dat deze activiteiten bij meer dan alleen de betrokkenen bekend was. Uw argumentatie dat het bij deze stukken ging om persoonlijke beleidsopvattingen is een verwijzing naar artikel 11 lid 1 WOB. Het tweede lid van dit artikel 11 vermeldt echter dat persoonlijke beleidsopvattingen kunnen worden verstrekt in een niet op personen herleidbare vorm. Artikel 11 lid 2 gaat op voor zowel de conclusie van de memo van 13 september 2005, de interne evaluatie en begeleidende stukken van het overleg van de korpsleiding-parketleiding in de regio Utrecht (klankbordgroep politie – OM) en de verslagen van de werkgroep / klankbordgroep van 12 en 25 juli 2006. De stukken vallen dan ook onder de WOB.

– Evaluaties, documenten voor intern beraad en beleidsnotities zijn in principe openbaar. De memo van 13 september 2005 is een dergelijke memo. U doet ons wel een beleidsnotitie van een medewerker van het parket Almelo van 18 april 2005 toekomen waarin betreffende medewerker een aantal problemen in de dagelijkse praktijk aanstipt. Bij deze opmerkingen heeft u niet de afweging gemaakt deze te bestempelen als persoonlijk. Aangezien de memo van 13 september 2005 een beleidsopvatting is, is gezien het publieke belang en democratische bestuursvoering openbaarmaking noodzakelijk. Daarbij is de conclusie in de memo van groot belang aangezien deze aanleiding kan geven tot wijzigingen in beleid of andere stappen. Ik verzoek u dan ook de conclusie openbaar te maken.

– Uw argumentatie dat openbaarmaking van de interne evaluatie en begeleidende stukken van het overleg van de korpsleiding-parketleiding in de regio Utrecht (klankbordgroep politie – OM) niet opweegt tegen het belang van opsporing en vervolging gaat in het kader van de WUID niet op. De Wet op de Uitgebreide IDentificatieplicht is geen proactief middel in de opsporing. Uw weigering om de stukken openbaar te maken zou er op duiden dat de WUID proactief wordt toegepast in de vorm van identiteitscontroles. Dit hebben de Minister en de beide Kamers echter uitdrukkelijk verboden. De WUID is daarmee niet proactief en er bestaat dan ook geen gevaar voor opsporing en vervolging.

– De interne evaluatie en begeleidende stukken van het overleg van de korpsleiding-parketleiding in de regio Utrecht (klankbordgroep politie – OM) met daarin opgenomen cijfers, draagvlak, effecten, inleiding, gemaakte fouten, aanbevelingen, voorstellen met betrekking tot de uitvoering en toepassing van de WUID is een beleidsdocument in de zin van de WOB. Ons WOB verzoek heeft betrekking op deze evaluatie. Gezien het feit dat u wel een memo van 13 september 2005 heeft openbaar gemaakt met daarin ook een aantal observaties en/of persoonlijke opvattingen lijkt het van groot belang de conceptinstructie en aanverwante beleidstukken van de interne evaluatie (klankbordgroep politie – OM) openbaar te maken. Uit de stukken blijkt niet dat de interne evaluatie in de regio Utrecht een initiatief was van een aantal privé personen en blijkbaar zijn de resultaten bij het ministerie van Justitie bekend. Ik ga er vanuit dat de verschillende parketten hun werk op elkaar afstemmen, evenals het feit dat het ministerie van Justitie mijn WOB verzoek behandelt en niet het parket Utrecht zelf. Aangezien u mijn WOB verzoek heeft behandeld ga ik er vanuit dat er overleg is geweest voor het instellen van een evaluatie. Daarmee overstijgt de evaluatie het karakter van persoonlijke beleidsopvattingen en wordt het belang van openbaarmaking onderstreept.

– Evaluaties, documenten voor intern beraad en beleidsnotities zijn in principe openbaar. Aangezien u aangeeft dat met betrekking tot de interne evaluatie en begeleidende stukken van het overleg van de korpsleiding-parketleiding in de regio Utrecht (klankbordgroep politie – OM) delen wel openbaar kunnen worden gemaakt verzoek ik u dit alsnog te doen. U argumenteert dat wij of het Nederlandse publiek niet in staat zijn de stukken die u wel openbaar dient te maken op hun waarde te schatten. Dit is bevreemdend aangezien het gaat over een evaluatie die betrekking heeft op een wet die eenieder treft.

– De aanwezigen bij de gesprekken waarvan de verslagen van de werkgroep / klankbordgroep van 12 en 25 juli 2006 een weerslag zijn, waren in functie en niet als privé persoon aanwezig. Tevens ga ik er vanuit dat het Ministerie van Justitie alsmede de andere parketten in kennis zijn gesteld van de bevindingen van dit overleg. Het gaat hierbij om opvattingen over de uitvoering van een wet. In het belang van de continu voortdurende maatschappelijke discussie ten aanzien van veiligheid is het zowel in voor het democratische bestuur als in het publieke belang dat evaluaties ten aanzien van de toepassing van de WUID in de openheid worden bediscussieerd.

– Met betrekking tot de verslagen van de werkgroep / klankbordgroep van 12 en 25 juli 2006 heeft u dezelfde argumenten aangehaald als bij het niet openbaar maken van delen van de interne evaluatie van het overleg van de korpsleiding-parketleiding in de regio Utrecht (klankbordgroep politie – OM) om de gehele verslagen niet vrij te geven terwijl delen wel degelijk onder de WOB vallen. Gezien het maatschappelijke belang met betrekking tot openheid ten aanzien van de uitvoering en toepassing van de WUID is het bevreemdend dat u ook de delen die onder de WOB vallen niet vrijgeeft. Ik vraag u alsnog de stukken die onder de WOB vallen vrij te geven.

Conform de Wet Openbaarheid van Bestuur ontvang ik gaarne een bewijs van ontvangst.

Ik verzoek u om op korte termijn gehoord te worden om een en ander nader toe te lichten.

Een vriendelijke groet

Buro Jansen & Janssen

Postbus 10591

1001 EN Amsterdam

info@burojansen.nl

telefoon 020 6123202