procedure: hoger beroep

 

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Postbus 20019

2500 EA DEN HAAG

Betreft: hoger beroep

Uw kenmerk:

Dossier: 09/308 Datum: 28 mei 2011

L.s.

Tot mij heeft zich gewend … (Postbus 10591, 1001 EN Amsterdam), hierna te noemen cliënt, inzake het volgende:

Bij uitspraak van 9 mei 2011 heeft de rechtbank het beroep van cliënt tegen de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaren, voor zover van belang, ongegrond verklaard.

Hiermee kan cliënt zich niet verenigen en hij komt hiertegen in hoger beroep.

De gronden voor hoger beroep zijn de volgende:

Cliënt heeft een afschrift gevraagd van het rapport Ideologische misdaad, een deelrapport van de Criminaliteitsbeeldanalyse 2007. Hem is een afschrift van dit rapport verstrekt, waarin vele tientallen passages zijn geweigerd op een reeks aan weigeringgronden.

1. In het overlegde rapport is uitsluitend per pagina en per alinea naar de weigeringgronden gekeken. Dat is een veel te grove selectie. Het is niet ondenkbaar dat in de geweigerde pagina’s en alinea’s zinnen staan waar geen weigeringgronden voor gelden. Dezen dienen dan alsnog openbaar gemaakt te worden.

De rechtbank komt in één enkele alinea tot de conclusie dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder het niet openbaarmaken van de geweigerde passages niet toereikend heeft gemotiveerd.

De Staatssecretaris stelt terecht dat er per onderdeel een afweging gemaakt moet worden en volgens hem is dat per alinea of zelfs per pagina voldoende. Feit is dat er pagina’s en alinea’s zijn die op meer dan tien verschillende gronden worden geweigerd, zonder dat er enig onderscheid is welke passage op welke grond wordt geweigerd.

Daarmee handelt hij in strijd met zijn motiveringsplicht. Het is voorstelbaar dat twee of drie uitzonderingsgronden tegelijk van toepassing zijn, maar 12 verschillende op een enkele zin is niet geloofwaardig.

De ingeroepen gronden zijn voorts niet deugdelijk onderbouwd. De gronden met de cijfercodering 5 geven allen aan dat de persoonlijke levenssfeer geraakt wordt en dat daarom de gegevens geweigerd dienen te worden. Maar het enkele raken aan de persoonlijke levenssfeer is niet voldoende. Het bestuursorgaan zal een belangenafweging moeten maken waarbij zij, van geval tot geval zal moeten oordelen of openbaarmaking het belang van de persoonlijke levenssfeer zo ernstig schaadt dat het grondrecht van openbaarheid achterwege dient te blijven. De Afdeling heeft daar het volgende over overwogen: “Bij openbaarmaking van de gevraagde gegevens is het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan de orde. In de documenten worden immers namen al dan niet in combinatie met de adresgegevens van ganzenhouders genoemd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college in het besluit op bezwaar van 21 juli 2008 niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het belang van de persoonlijke levenssfeer zwaarder dient te wegen dan het algemene belang van openbaarmaking van de gevraagde informatie. (ABRS 24 maart 2010, LJN BL8728).

2. Uit de gehele beslissing op bezwaar blijkt dat er geen integrale heroverweging heeft plaatsgevonden, hetgeen de wet voorschrijft. Keer op keer komt de passage “de door u genoemde argumenten geven mij dan ook geen aanleiding het besluit te herroepen.” Voorts wordt cliënt herhaaldelijk verweten stellingen niet onderbouwd te hebben en worden stellingen reeds daarom afgewezen. Daarmee handelt de Staatssecretaris in strijd met de wet.

De rechtbank is in het geheel niet op deze beroepsgrond ingegaan.

3. In de stukken worden passages geweigerd op basis van art. 11 Wob (persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad) en uitzonderingsbepalingen in de Wob. Deze twee gronden kunnen niet naast elkaar bestaan. Óf iets is een persoonlijke beleidsopvatting, óf iets bevat feitelijke informatie, waarvan openbaarmaking een nauwkeurig omschreven belang kan schaden.

4. Er wordt een aantal passages geweigerd omdat dezen bijzondere persoonsgegevens zouden bevatten. Het is allereerst twijfelachtig of het rapport veel namen van individuen bevat. De overige gegevens, bijvoorbeeld dat er na een voorval mensen onherroepelijk zijn veroordeeld, zijn geen bijzondere persoonsgegevens indien deze niet gekoppeld kunnen worden aan individuele natuurlijke personen.

In voorkomende gevallen kunnen passages geanonimiseerd worden. Dat is een uitzonderingsgrond als bedoeld in art. 10 lid 2 sub e Wob. Daarmee zijn de overige gegevens geen bijzondere persoonsgegevens meer.

Er is dus geen grond voor toepassing van deze grond. De rechtbank is volledig voorbij gegaan aan deze grond en heeft uitsluitend vastgesteld dat er in het rapport bijzondere persoonsgegevens zijn opgenomen. Er is niet bestreden dat er überhaupt geen bijzondere persoonsgegevens is het rapport staan, wat de rechtbank lijkt te denken. De beroepsgrond houdt in dat deze gegevens zijn te anonimiseren en dat er veel meer verstrekt had kunnen worden dan tot op heden is geschied.

5. Nog steeds wordt bestreden dat de geweigerde passages mogelijke opsporingen- en vervolgingsonderzoeken zodanig ernstig frustreren dat het grondrecht van openbaarheid en vrije nieuwsgaring moet wijken voor dit belang. De weigering onder 3.3, maar ook in andere passages en andere weigeringsgronden is niet te zien als een zorgvuldige motivering, op specifieke passages toegesneden.

De rechtbank wijs dit beroep met een enkel zinnetje van de hand. Dat is niet acceptabel.

6. Ondanks duidelijke jurisprudentie van de Afdeling houdt de Staatssecretaris vol dat het enkele feit dat er sprake is van een lopende strafzaak art. 10 lid 2 sub c Wob voldoende grond biedt om alle gegevens te weigeren.

Hij stelt voorts dat niet duidelijk is op welke wijze de door cliënt aangehaalde uitspraak diens stelling dat dit niet zo is zou onderbouwen.

Daar is een hoorzitting voor bedoeld. Gedurende de hoorzitting is namens de Staatssecretaris (toen overigens nog de Minister) hier geen enkele vraag over gesteld. Dat verstrekt cliënt in de indruk dat de hoorzitting niet meer dan een farce was en niet gericht op verduidelijking van de standpunten.

Deze beroepsgrond is helemaal aan de rechtbank voorbij gegaan.

7. Er wordt in het geheel niet ingegaan op de bezwaargrond dat in enkele zaken niet eens is nagegaan of er überhaupt sprake is van nog lopende strafzaken. Dit terwijl er stukken worden geweigerd omdat er wellicht nog sprake is van een lopende strafzaak. Uit de bewoordingen van het primaire besluit blijkt evident dat dat niet in alle gevallen vaststaat.

Deze beroepsgrond is helemaal aan de rechtbank voorbij gegaan.

8. In de beslissing op bezwaar wordt nu botweg ontkend dat in het primaire besluit het kennisniveau van cliënt is meegewogen als weigeringsgrond. Het primaire besluit stelt het volgende: “Voorkomen dient te worden dat al dan niet in combinatie met andere informatie en/of kennis waarover (aannemelijk geacht mag worden dat) de aanvrager (daarover) beschikt en/of op grond van (een) niet onevenredige (technologische) inspanning(en) daartoe …”

De Minister had het hier toch echt over het kennisniveau van de aanvrager. De persoon van de aanvrager en diens kennisniveau spelen bij de beoordeling van een Wob-verzoek geen enkele grond. Bij de beoordeling dient te worden uitgegaan van een gemiddeld kennisniveau.

Uit de beslissing op bezwaar blijkt dat dat overduidelijk niet geschied. Op geen enkele wijze maakt de Staatssecretaris aannemelijk dat een gemiddeld kennisniveau leidt tot de gestelde aantastingen.

Deze beroepsgrond is helemaal aan de rechtbank voorbij gegaan.

9. De Staatssecretaris legt aangehaalde jurisprudentie veel te eng uit. Zo ook de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009 (LJN BJ1889), waarin een bestuursorgaan wordt opgedragen aannemelijk te maken hoe gestelde combinaties van informatie kan leiden tot identificatie van individuele, natuurlijke personen. In onderhavige zaak gaat het inderdaad niet om vuurwapenverloven, maar dat is het mooie van jurisprudentie, die is ook toepasbaar in vergelijkbare situaties. De situaties hoeven niet identiek te zijn.

Cliënt heeft willen betogen dat de stellingen die de Minister in het primaire besluit heeft gedaan kampen met een ernstig motiveringsgebrek.

Ook hier heeft de Staatssecretaris tijdens de hoorzitting om geen enkele verduidelijking gevraagd. Aangenomen moet worden dat de inhoud van de beslissing op bezwaar dus al vaststond.

Deze beroepsgrond is helemaal aan de rechtbank voorbij gegaan.

10. De Staatssecretaris rekt het begrip eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer onacceptabel ver op. Uit vaste jurisprudentie blijkt keer op keer dat indien er geen sprake is van identificatie van betrokkenen, een beroep op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet opgaat.

Deze beroepsgrond is helemaal aan de rechtbank voorbij gegaan.

11. De Staatssecretaris miskent de Wob. Zij stelt dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens niet een zodanige bijdrage aan de publieke controle levert en dat daarom openbaarmaking wel achterwege kan blijven. De Wob gaat juist uit van het belang van openbaarheid. Dat schuift zij terzijde.

Deze beroepsgrond is helemaal aan de rechtbank voorbij gegaan.

12. De Staatssecretaris stelt dat er sprake is van ‘in vertrouwen gedane mededelingen’ en dat daarom sprake is van een onevenredige benadeling van betrokkenen bij openbaarmaking. Uit niets blijkt van dat vertrouwelijke karakter van die mededelingen. Zelfs al zou dat zo zijn, dienen burgers zich bewust te zijn van het feit dat alle documenten die bij een bestuursorgaan berusten in beginsel openbaar zijn. Het enkele feit van beweerde vertrouwelijkheid is geen weigeringsgrond.

Deze beroepsgrond is helemaal aan de rechtbank voorbij gegaan.

13. Een aantal passages wordt geweigerd omdat dezen zouden bestaan uit persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. Dit rapport bevat geen persoonlijke beleidsopvattingen. Het rapport is volstrekt anoniem. Er is niet één auteur of groep auteurs aan te wijzen. De enige naam van de KLPD die in het rapport genoemd wordt is de naam onder het voorwoord. Nu deze persoon overduidelijk niet de auteur is van dit document, en ook op andere wijze niet te achterhalen is wie de auteur(s) is/zijn, kan er geen sprake zijn van persoonlijke beleidsopvattingen.

14. Bij het verweer in beroepsfase heeft de Staatssecretaris zijn bestreden besluit herroepen en alsnog een eerdere, in bezwaar en beroep uitdrukkelijk bestreden, weigering herroepen. De naam van een persoon is alsnog bekend gemaakt.

Daarmee heeft de Staatssecretaris erkend dat de beslissing op bezwaar in ieder geval voor dat punt onterecht was.

Nu de beslissing op bezwaar is herroepen, hadden de proceskosten in bezwaar vergoed moeten worden. Hij heeft cliënt daar een niet nader onderbouwd bedrag van € 327,50 voor toegekend (een bedrag dat overigens nog steeds niet is vergoed). Hij had in dezen twee punten moeten toekennen, en dat is niet dit bedrag.

De rechtbank is volledig aan deze beroepsgrond voorbij gegaan.

Ik verzoek u de bestreden uitspraak te vernietigen en deze zaak terug te verwijzen naar de rechtbank voor een volledige behandeling van het beroep.

Tevens verzoek ik u toepassing te geven aan art. 8:75 Awb.

Onder voorbehoud van alle rechten,

Hoogachtend,

gemachtigde