De procedure: bezwaar tegen de beslissing van het ministerie van Binnenlandse Zaken

 

Bezwaar tegen de weigering van het ministerie van Binnenlandse Zaken om een aantal email berichten vrij te geven. Het lijkt er sterk op dat kritische emails berichten en documenten vaak worden geweigerd op grond van het populaire interne beraad.

Amsterdam, 2 december 2009

Aan Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties

t.a.v Minister ter Horst

Postbus 20011

2500 EA Den Haag

Onderwerp: Bezwaar wobverzoek inzake actie/operatie Ochtend Gloren of Ochtendgloren

Kenmerk: wobverzoek oktober 2009538

Uw kenmerk: 2009-0000410775

Afzender:

Postbus 10591

1001 EN Amsterdam

Geachte Mw. ter Horst,

Met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur heb ik mij op 22 juli 2009 tot u gericht met een verzoek om informatie.

Het betrof informatie inzake de actie/operatie Ochtend Gloren of Ochtendgloren.

Ik wilde graag alle documenten van u ontvangen. U kunt hierbij denken aan:

Onderzoeken, evaluaties en rapportages betreffende de toepassing en uitvoering van preventief fouilleren, overzichten van staande houdingen, processen verbaal, fouilleringlijsten betreffende de toepassing en uitvoering van preventief fouilleren, statistieken en overzichten betreffende de toepassing en uitvoering van preventief fouilleren, beleidsdocumenten, richtlijnen en aanwijzingen toepassing en uitvoering van preventief fouilleren.

Maar u kunt ook denken aan de volgende documenten: Notulen, verslagen, draaiboeken, planningen, concepten, briefings, digitale communicaties, interne communicatie (zowel e-mail), incidentmeldingen, proces-verbalen, mutaties, geluidsopnamen, videobeelden, foto’s, speciale databestanden, registraties en andere documenten.

U gaf aan dat u mijn verzoek in zake preventief fouilleren behandeld (Wobverzoek inzake het beleid en de toepassing en uitvoering van preventief fouilleren in het algemeen (het beleid en de toepassing en uitvoering van de artikelen 151b Gemw, 50, 51 en 52 WWM en het betreffende artikel uit de APV dat betrekking heeft op preventief fouilleren) in de periode van 2002 tot en met 2007).

Ik kan niet overzien of u ook alle stukken ten aanzien van de acties/operaties Ochtend Gloren of Ochtendgloren heeft meegenomen.

Ik teken bezwaar aan tegen uw beslissing van 17 augustus 2009.

Altijd weer interessant om te zien dat u artikel 11 eerste lid van de Wob gebruikt. Gezien de recente uitspraak van de Raad van State komt dit artikel in een ander daglicht te staan, maar daarover later mee.

U weigert mij de documenten 2, 3 en 4 op grond van artikel 11 eerste lid. U weigert mij niet document 5 op grond van artikel 11 eerste lid en ook niet document 6. Beide documenten zijn ook een email van een medewerker van of de politie Twente of de gemeente Rijssen-Holten. Bij de documenten 5 en 6 gaat het niet om intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen maar zijn het openbare stukken waarbij u de namen , telefoonnummers en andere persoonsgegevens heeft weggelakt. Zoals in mijn informatieverzoek ook al stond, wilde ik graag anonieme stukken ontvangen dus dit is in de lijn van mijn verzoek. Het verschil tussen document 4 en 5 ontgaat mij ten enenmale. Beide zijn emailberichten van een medewerker van de politie Twente, misschien zelfs dezelfde medewerker aan een medeweker van bij document 4 BZK en bij document 5 het ministerie van BZK. Waarschijnlijk gaat het in beide gevallen om het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het enige verschil is de datum. Docuemen 4 wenst u niet vrij te geven en document 5 wel. Hier klinkt een willekeur in. Document 3 heeft veel weg van document 6. Beide gaan over de kamervragen. Beide zijn gericht aan een medewerker van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Verschil is dat er bij document 3 sprake is van een medewerker van politie Twente en bij document 6 een medewerker van de gemeente Rijssen-Holten. De datum is niet hetzelfde en bij document 3 is er sprake van een reactie. Gezien het feit dat document 6 eerder is geschreven dan document 3 kan duiden op een andere status, maar beide documenten zijn geschreven voor de beantwoording van de kamervragen. Document 6 zou zomaar ook een reactie kunnen zijn in combinatie met document 6a, een verslag dat ook wordt vrijgegeven. Er doet zich nu iets geks voor. De documenten 5 en 6 zijn duidelijk inhoudsloze documenten en ik veronderstel dat de documenten 3 en 4 wel inhoud bevatten. De inhoud van 5 en 6 zit echter in de bijlagen die openbaar worden gemaakt en niet intern zijn. Dan is het toch gek waarom 3 en 4 niet vrij worden gegeven. Het klinkt mij in de oren dat die documenten misschien geen hosanna stemming laten horen en daarom misschien te kritisch zijn. Is dat dan intern beraad? Nee dat is deel van de discussie. Van belang voor het ontcijferen van de waarheidsvinding van wat er gebeurd aan de A1 en elders aan de snelweg. Waarheidsvinding belemmert wordt door uw beroep op artikel 11 lid een van de Wob. De waarheid zit hem namelijk in de weging.

En dan document 2. Die discussie voer ik regelmatig met u. Een concept is niet een intern document, het is een draft. Misschien zegt u nu zoals bij de G8 en Schinveld, het concept is hetzelfde als de uiteindelijke antwoorden. Ja geen punt, toch zou ik dat willen verifiëren. Ja, ik heb weinig vertrouwen in uw waarheidsvinding, klopt helemaal, daar heb ik ook alle reden toe, ik hoop dat u dat begrijpt. Volgende stap u zegt het is toch intern beraad want de minister moet vrijelijk kunnen bedenken wat zij wil opschrijven en ook haar ambtenaren. Maar stel nu dat in de antwoorden in eerste instantie staat dat het een verspilling van menskracht en middelen is en dat, dat in de antwoorden er uit is gelaten. Belangrijk toch? Of is het onzin wat ik zeg? Een concept dat volledig afwijkt van de uiteindelijke versie vertelt veel over de besluitvorming op uw ministerie. Ik hoef alleen te verwijzen naar de Irak memo om aan te geven waar de schoen wringt.

Ik herhaal nu een hoeveelheid argumenten die ik vaker heb gebruikt, maar voeg ze toe omdat ze onderdeel uit maken van mijn bezwaar.

Het uitgangspunt van de Wob is dat alles openbaar is, tenzij, na een zorgvuldige afweging van belangen, een specifiek belang tot geheimhouding zwaarder dient te wegen dan het algemene belang van openbaarheid. Die motivering dient vervolgens bij het besluit kenbaar te worden gemaakt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 25 april 2000 en van 28 april 2004 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN AA5630 en AO8477) volgt dat er onder de werking van de Wob niet aan kan worden ontkomen om per aangelegenheid en derhalve per document de vraag te beantwoorden of de in de Wob genoemde weigeringgronden zich voordoen en om bij de relatieve weigeringgronden per geval de vraag te beantwoorden of aan die belangen een zodanig gewicht toekomt, dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens achterwege mag blijven. De wetgever heeft daarbij geoordeeld dat inbreuken op het uitgangspunt van openbaarheid tot een minimum worden beperkt (MvT 28 835, p. 29). De wetgever heeft voorts bij de totstandkoming van de Wob overwogen dat, voor een goede werking van deze wet, de openbare documenten zo spoedig mogelijk daadwerkelijk openbaar worden. Dat laatste is recent door de Nationale Ombudsman bevestigd (rapport 2008-135).

De WOB kent verschillende artikelen zoals elke wetgeving. In artikel 2 van de WOB is het volgende te lezen:

‘Een bestuursorgaan verstrekt bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie. Het bestuursorgaan draagt er zo veel mogelijk zorg voor dat de informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.’

Meestal moet ik het ook verschillende keer weer lezen. Het bureau waar ik werk maakt al geruime tijd gebruik van de WOB, maar deze zinsnede ‘het algemeen belang van openbaarheid van informatie’ dat die in de wet staat, is toch niet echt te rijmen met de werkelijkheid van alle dag.

Het is de laatste jaren trend geworden dat steeds meer informatie geweigerd wordt met een beroep op de weigeringgrond ‘persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad’. Dat is strijdig met het uitgangspunt van de Wob, dat openbaarheid voorstaat.

Bij het inroepen van die weigeringgrond wordt tegenwoordig stelselmatig de wetsgeschiedenis terzijde geschoven. Daarin is uitdrukkelijk voorgeschreven dat er eerst gekeken moet worden naar de uitzonderinggronden genoemd in art. 10 Wob. Pas als die zijn afgewerkt, mag naar de weigeringgrond in art. 11 Wob worden gekeken.

Uit de in het hoger beroepschrift geciteerde passages uit de Memorie van Toelichting bij de Wob, blijkt duidelijk dat er een rangschikking is in de artikelen 10 en 11 Wob.

Uit vaststaande jurisprudentie van deze Afdeling blijkt dat namen van ambtenaren geweigerd dienen te worden op basis van art. 10 lid 2 sub e Wob: “Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het ten aanzien van zodanig functioneren in beginsel geen beroep kan worden gedaan op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, maar dat dit anders ligt indien het betreft het openbaar maken van namen van de ambtenaren. Namen zijn immers persoonsgegevens en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen het openbaar maken daarvan verzetten. Voorts is van belang dat het hier niet gaat om het opgeven van een naam aan een individuele burger die met een ambtenaar in contact treedt, maar om openbaarmaking van de naam in de zin van de Wob.” (ABRS 18 juli 2007, LJN BA9807).

Dat betekent dat uit de stukken waar ik om heb verzocht de namen van de ambtenaren onleesbaar gemaakt dienen te worden. Als dat is geschied kan er geen sprake meer zijn van persoonlijke beleidsopvattingen die te herleiden zijn naar identificeerbare ambtenaren. Niet voor niets geeft art. 11 lid 2 Wob de mogelijkheid om die persoonlijke beleidsopvattingen in een geanonimiseerde vorm naar buiten te brengen.

Het gebruik van artikel 11 impliceert dat het om beleidsopvattingen gaat. Dan begrijp ik toch iets niet. De uitvoering van het beleid in deze de inzet van verschillende overheidsdiensten, valt naar ik aanneem onder de verantwoordelijkheid van de korpschef of de minister. Het is beleid van deze verantwoordelijken, lijkt mij en niet het beleid van een of enkele commandanten of politiefunctionarissen. Het zijn beleidsopvattingen van verantwoordelijken die ten grond slag liggen aan de activiteiten van het korps of diensten. Dan kan het in zijn geheel niet gaan om persoonlijke opvattingen. Beleid is misschien persoonlijk, maar het is het beleid van de minister of de korpschef. Die dienen verantwoording af te leggen in het kader van toezicht. Ik bestrijd dan ook uw argument dat de ambtenaren in kwestie zelf een persoonlijke visie erop na houden of kunnen houden. Dit gaat al helemaal niet op als het om de mogelijkheid gaat om de stukken geanonimiseerd vrij te geven.

De rechtbank Almelo heeft in 2007 geoordeeld dat indien uit stukken niet blijkt wie een vermeende persoonlijke beleidsopvatting heeft geuit, er geen sprake kan zijn van een weigering op deze grond (rb Almelo 7 augustus 2007, reg. Nr. 06/1404).

Aangezien ik in mijn wobverzoek al heb aangegeven ook tevreden te zijn met geanonimiseerde stukken is er geen beletsel om de stukken (documenten onder 1, 10, 18, 20 en 26) openbaar te maken.

De pagina’s bevatten zijn geen persoonlijk document van een persoon, het is een evaluatie van groepen functionarissen die allerlei handelingen hebben verricht. U spreekt van intern beraad met persoonlijke beleidsopvattingen en verwevenheid. Ik wil u wijzen op een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (AWB 07/4035 WOB) van 30 september 2008. Deze rechtbank verwijst ook nog eens naar een uitspraak van de Raad van State. “In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 maart 2007, nr. 200606369/1, waarin is overwogen dat het ervaringsfeit dat de weergave van feiten altijd enigermate gekleurd wordt door de persoonlijke opvattingen van degene die ze beschrijft, niet voldoende grondslag is om die herschrijving reeds daarom als persoonlijke beleidsopvatting aan te merken.”

Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zaaknummer 200606369/1 heeft geoordeeld dat in een zaak met betrekking tot een conceptbrief van het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp een conceptbrief niet zomaar als persoonlijke beleidsopvatting kan worden aangemerkt. “Zij (de afdeling bestuursrechtspraak) is met de rechtbank van oordeel dat, hoewel de conceptbrief een document is dat is opgesteld ten behoeve van intern beraad, de daaruit niet openbaar gemaakte passages geen persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Het door het college ingeroepen ervaringsfeit dat de weergave van feiten altijd enigermate gekleurd wordt door de persoonlijke opvattingen van degene die ze beschrijft, is niet voldoende grondslag om die beschrijving daarom als persoonlijke beleidsopvatting aan te merken.” Deze uitspraak, al heeft de afdeling in de onderhavige zaak de betreffende nota niet in kunnen zien, heeft in zijn geheel betrekking op uw argument de documenten in verband met persoonlijke beleidsopvattingen niet openbaar te maken. Blijkbaar is er geen gevaar voor de mogelijke betrokken ambtenaren als de stukken geanonimiseerd worden vrijgegeven en is er dan ook geen beletsel om de stukken te versrekken.

U geeft aan dat de informatie uit drie documenten in hun geheel voor intern beraad zijn opgesteld met persoonlijke beleidsopvattingen maar naar ik aanneem staat er wel wat beleidsinformatie of uitvoeringsinformatie in anders is het met de staat van de Nederlandse politie wel erg triest gesteld. Daarbij dien ik u te wijzen op het feit dat deze delen dus blijkbaar wel onder de Wob vallen en vrijgegeven dienen te worden. U verzuimt aan te geven wat verstrekking in de weg staat.

Ten overvloede meld ik nog dat het mij gaat om geanonimiseerde documenten. Daar waar burgers zelfs niet meer anoniem kunnen procederen, neem ik gewoon genoegen met anonieme stukken. Het gaat mij en het bureau waar ik werk niet om de poppetjes, maar het beleid dit in tegenstelling tot u.

Gaarne ontvang ik een bewijs van ontvangst.

Met vriendelijke groeten

Postbus 10591

1001 EN Amsterdam

email info@burojansen.nl

www.burojansen.nl

tel 0206123202

mob 0634339533